Wielrennen… (H)eerlijk

Ik ben een wielrenner.
Ik wielren.
Ik fiets.
Ik heb een racefiets.
Oké, redelijk tevreden, goede zin wel eigenlijk… Lang over nagedacht ook, maar het dekt precies de lading. Niet dat ik wielrennen fietsen niet leuk vind hoor. Vorig jaar veel mooie tochten gefietst samen met mijn zus Audrey (Auw voor insiders). Heerlijk was dat! We genoten met volle teugen! Met zo’n gangetje van zo’n 30 kilometer per uur gleden we door ons zo geliefde Twentse land. We snoven alle heerlijke geuren van het voorjaar onze longetjes in en verwonderden ons over de natuur. Prachtige bloesems die van de een op het andere moment trots uit hun knoppen barstten. Schattige lammetjes die vrolijk in het rond dartelden en vogeltjes die al kwetterend hun moeder om een verse regenworm vroegen. Puur geluk! Door alle kilometers die we gemaakt hebben kennen we overal perfect de weg. Twente heeft voor ons al lang geen geheimen meer. Als we andere wielrenners inhaalden keken we altijd stiekem even opzij voor die fijne gladgeschoren fietspootjes. Bij tante Sien in Vasse bestelden we een Spa Blauw en stretchten we onze spieren weer een beetje op.

Man!!! Waarom doe ik dit nou?! Waarom wil ik alles altijd mooier, beter en heldhaftiger doen voorkomen dan het eigenlijk is. Waarom zeg ik niet gewoon dat Audrey halfweg Beuningen vaak al letterlijk piepend op het stuur ligt, en zonder haar hooikoorts-inhalerings-machine sowieso niet meer rond kan trappen. En dat ik het dan niet toegeef, maar stiekem heel erg blij ben dat ik even kan uitrusten. Na anderhalve kilometer! En die 30 kilometer per uur… Die halen we alleen maar op het stukje vanaf de top van de Tankenberg omlaag. Wij zijn al trots als er terug thuis een gemiddelde van 25 kilometer per uur op ons tellertje staat. En als de ademhaling van één van ons dreigt te versnellen grijpen we meteen in door het tempo drastisch te verlagen.
En dat inhalen… Serieus, we hebben nog nooit iemand ingehaald! We worden alleen maar ingehaald, zelfs door zondags-fietsers en bejaarden. Als ons een groepje wielrenners achterop komt, dan schamen we ons zo dat we in de berm gaan staan en aan onze ketting gaan prutsen. Ja echt! En op dinsdagavond gaan we sowieso niet fietsen, want dan fietst onze plaatselijke wielerclub ook en stel je voor dat we die tegenkomen! Gênááááánt!!!

En waarom noem ik nou uitgerekend het terras van Tante Sien in Vasse? Waarschijnlijk omdat dat het verste punt is waar we ooit geweest zijn. En dat is misschien maar één keer voorgekomen! Meestal zitten we bij Aarnink net over de grens, een kilometer of zes verderop. De kortste route er naartoe ook vaak. En ik heb nog nooit Spa Blauw besteld! Stretchen?? Dagget nie! Pootjes hoog en dan laten we de koffie aanrukken. En appeltaart. En slagroom.
En we weten helemaal nergens de weg! We fietsen krampachtig elke keer exact hetzelfde rondje. Want die paar keer dat we ruig wilden doen en af hebben geweken van de route, belandden we zonder uitzondering steeds ergens in een maïsland. Genieten van bloesems en lammetjes is ook heus niet aan de orde hoor. We zijn eigenlijk alleen maar bezig met alle gaten in de weg en de vliegen in onze ogen. Of met het ontwijken van dreksporen die boerenkarren achterlaten.
Nee, eigenlijk is die racefiets alleen maar één grote façade waar we ons achter kunnen verschuilen als iemand ons vraagt of we wel aan sport doen. ‘Ja, tuurlijk wel! Wij wielrennen…’
En om dat nog wat extra kracht bij te zetten plaats ik dan tussen neus en lippen door heel spontaan, onverschillig en ondoordacht nog even een fotootje op Facebook tijdens zo’n tochtje. En daarmee is mijn imago weer gered! Het is zo simpel!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *