Kanne beuren

‘Túúúúúrlijk mag jij op het potje plassen!’ Ik probeer enthousiast over te komen, maar ik haat dit. Al een paar keer eerder hebben we een halfslachtige poging gedaan om Dize uit de luier te krijgen, maar ze lijkt er nog niet aan toe. Zo eens in de paar weken vraagt ze of ze op de WC mag. De opvoeder in mij vindt dat ik dat moet stimuleren. Al het andere in mij schreeuwt dat ze gewoon lekker in d’r luier moet zeiken. Veel makkelijker.
Maar op een late vrijdagmiddag vraagt ze er weer eens om. Ik sta dan net te koken. Ik ga die avond uit eten met mijn buurvrouwen, maar de kinderen en Stephan moeten natuurlijk ook eten. Stephan is later thuis en daarom verkeer ik in een lichte staat van gejaagdheid. Ik plaats de toiletverkleiner onder de bril en zet Dize er op. Vervolgens loop ik terug naar de keuken om het vlees om te draaien.

Even later komt Dize in d’r blote billen naar de keuken lopen. ‘Ik heef plas gedaan!’ Ik til haar op en samen doen we een trots dansje door de keuken. Ik voel hoe de urineresten van haar billen in mijn mouw dringen, maar ik probeer het te negeren. Dize stelt voor dat ze nu geen luier aan doet, maar dat ze ook het volgende plasje op de WC gaat doen. Ik weet hoe dit af gaat lopen, maar ik ga akkoord, want goede moeders stimuleren dit soort initiatieven. Onder stil protest. Dat dan weer wel. Als ik haar onderbroek wil gaan halen zie ik dat ze vanaf de toilet naar de keuken een druppelspoor heeft getrokken. Met een dweil veeg ik het snel weg.

Dan hoor ik mijn telefoon bliepen. Een berichtje van Stephan: ‘Het wordt wel half zeven.’ Ook dat nog. De gejaagdheid neemt toe. Ik loop terug naar de keuken. Het vlees is zwart. Ik kieper het in de prullenbak, gooi twee borden vol met boontjes en roep de kinderen aan tafel. Len komt niet. Tuurlijk komt Len niet. Len komt nooit. Toen ik nog geen kinderen had wist ik zeker dat ik er in zo’n geval nooit achteraan zou gaan rennen. Ikke niet. Even later ren ik geërgerd achter een klein jongetje aan te vangen die het uitgiert van het lachen.
Als ze eindelijk aan tafel zitten moet ik me heel snel gaan omkleden. Voor douchen is dan al geen tijd meer. Ik was de pis van mijn arm, hijs me in andere kleren, haal een kam door m’n haar en klaar. Het moet maar. Als ik weer beneden kom zie ik dat Dize haar onderbroek op de verwarming legt. Op en onder haar kinderstoel ligt een grote plas. ‘Kanne beeeuuuren!’ roep ze. ‘Maak nis uit!’ Ik beaam dat knikkend. Onder stil protest. Dat dan weer wel.

Ik veeg de stoel en de grond weer schoon en veeg ook meteen alle boontjes bij elkaar die Len om zich heen heeft gegooid. Ik ga nog even bij ze aan tafel zitten, omdat goede moeders dat nou eenmaal doen. Al gauw vliegen de boontjes me om de oren. Ik peuter de stukjes boon uit mijn haar en zet Len op de gang. Onderweg naar de gang haalt ie zijn neus langs mijn shirt. Snot.
Dize heeft haar boontjes op en kruipt nog even bij me op schoot. Ik acteer dat ik hier alle tijd voor heb en we zijn een beetje aan het dollen. Dan voel ik hoe warme urine langzaam in mijn net schoon gewassen spijkerbroek dringt. ‘Dize! Wat doe je?’ ‘Niks. Niks toch mama? Of heef ik plasje gedaan?’ Ik zie dat ze het heel erg vind en ik geef haar een knuffel.

De gejaagdheid giert ondertussen door m’n aderen. Ik moet al bijna weg, ik heb boontjes in mijn haar, een pisvlek in mijn broek, snot in mijn shirt, Len heeft nog nauwelijks gegeten en nog niemand komt me aflossen. Als ik Len weer op wil halen van de gang zie ik dat hij in de toilet op de gang de complete toiletrol heeft uitgerold en door de gang heeft gegooid. Hij straalt van oor tot oor! Hij moet op de gang blijven. Vindt ie prima natuurlijk.
Ik ruim net de tafel af als Stef thuis komt. We hebben een hele korte overdracht. ‘Len staat op de gang, gewoon om alles. En Dize zeikt steeds alles onder.’

Ik kijk op de klok, ik moet nu echt gaan rennen. Mijn broek! Shit, die broek! En dat snot. Ik kom te laat als ik mijn kleren nog ga wisselen. Het is ondertussen ook alweer een beetje opgedroogd. Daarbij weet natuurlijk niemand dat het pis is (tot deze column). Ik laat m’n kleren aan, ’t is niet anders. Ik kus de kinderen en Stef gedag. Stef plukt nog een laatste boontje uit mijn haar voordat ik ga.

Die avond hoor ik mezelf tegen de buurvrouwen zeggen dat ik het best aanpoten vind met de kinderen, maar vooral heel leuk! En dat meen ik ook nog. Voor de volle honderd procent. Dat dan weer wel.

Deze column is eerder gepubliceerd in ’t Luutke – editie 6, jaargang 2019

3 thoughts on “Kanne beuren

  1. Oh wat heb ik weer genoten van je verhaal. En dan nog echt gebeurd ook hè.. Geweldig joh, kinderen!
    Lekker die luier nog even aan laten houden joh.. inderdaad veel gemakkelijker. 🙂

Laat een reactie achter op Regenboogvlinder Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *