Kamperen

Kamperen. Je vervloekt het of je vindt het fantastisch. Ik hoor bij de laatste groep. Al zolang ik me kan herinneren ging ik met mijn zus en ouders kamperen in de Franse Alpen, in de Italiaanse Dolomieten of in een grote bergkloof in Zwitserland. Mijn mooiste jeugdherinneringen liggen dáár. Hoog in onze Europese bergen. De liefde voor bergen ben ik nooit verloren. Ik kan volschieten van een waanzinnig mooi uitzicht, van de oorverdovende stilte, maar vooral van het nietige gevoel dat je ervaart tussen die enorme reuzen. Het liefst zet ik mijn kampje dan ook op in een rustig alpenweitje of bij een mooi bergmeertje. Maar toen kregen we kinderen en werd ons verteld dat kamperen niet zo handig was. En zéker niet zo ver van huis. Maar wij konden dat. Wíj wel. Wíj waren niet zo moeilijk. Wíj draaiden hier onze hand niet voor om. Wíj doen dat gewoon

Dus toen Dize net een jaar was en Len een paar maanden gingen we naar Zwitserland. We hadden ons twee persoons tentje weliswaar ingeruild voor een degelijke caravan, wat enigszins afbreuk deed aan het kampeergevoel, maar niet aan de bergen. We gingen die vakantie terug naar de kloof uit mijn jeugd. Helemaal aan het einde van de kloof vonden we een kleine camping. Honderd meter ná die camping hield de weg op, en daarmee ook de bewoonde wereld. Daar áchter begon míjn wereld. De wereld van indrukwekkende rotsmassieven, watervallen en sneeuw. Tevreden bouwden we ons kampje op. De kinderen lagen op een kleedje in het gras en vermaakten zich prima met wat autootjes. Toen we even later moe maar volmaakt gelukkig achter een kop koffie zwijgend naar de besneeuwde bergtoppen staarden, dacht ik trots: ‘Zie je nou wel. Dit kan prima met kleine kinderen.’

Ik denk dat we nog geen drie dagen verder waren toen ik midden in de nacht een onbestemd gegrom hoorde en daarna gestommel in de caravan. Toen ik uit bed stapte en het licht aan deed zag ik nog net hoe Len met grote golven zichzelf, zijn bed, ons bed en Stephan onder kotste. Oké. Geen paniek. Wíj kunnen dit. Wíj draaien onze hand hier niet voor om. Wíj doen dat gewoon. Ik stelde voor dat Stephan zich zou omkleden en ik ondertussen Len even ging douchen. Toen ik uit de caravan stapte was het aardedonker. Op de hele camping brandde geen licht. Met het lampje van mijn telefoon zocht ik met een zurig, huilend joch op de arm een weg naar het ‘sanitairgebouw’. Ook daar geen licht. Ik trok hem in het pikkedonker zijn slaapzak en pyjama uit en zette hem in een wastafel. Alleen ijskoud water. Met de Franse slag maakte ik het krijsende kereltje schoon. Toen ik terugliep naar de caravan, propte ik hem onder mijn vest om hem te beschermen tegen de ijzige bergkou. In de caravan lag een meurende berg wasgoed op de grond waar de zure brokken melk nog uitvielen. Geen wasmachine op de camping. Oogkleppen op en verder slapen. Uiteraard lagen we de rest van die nacht wakker uit angst voor opnieuw overgeven.

De volgende ochtend vluchten we naar Oostenrijk. Naar een camping waar weliswaar geen animatieteams, speeltuinen of waterparken waren, maar wel verlichting, warme douches en een wasmachine. Een wasmachine!! Ik haat het om toe te geven, maar wat een verademing. We wasten ons zure biggetje weer fris en al het beddengoed hing al gauw weer schoon aan een lijntje te drogen. Ik probeerde me niet druk te maken over het gezichtsverlies dat ik leed en mijn gevoel schommelde ergens tussen schaamte en geluk.
Afgelopen weekend was ik met mijn zus en onze kinderen bij de Sprookjescamping op nog geen uurtje rijden van huis. Alle schaamte inmiddels voorbij! De indoorspeeltuin, het zwembad, in een lange rij voor patat, ik vond het allemaal prima. Leuk zelfs. Serieus! Maar toen gebeurde er iets wat toch ook weer míjn grenzen over ging. De kinderen wilden mee met de Bumpystoet. We gaven toe, maar ik kon wel janken. Die avond stonden we bij een Bumpyhalte te wachten. In de verte horen we muziek aankomen. Och du liebe. Dan komt het de bocht om. Een beer, die Bumpy blijkt te heten, zwaait ons vanuit een golfkarretje overdreven vrolijk toe. Minstens honderd kinderen, vaders, moeders, opa’s en oma’s er zingend achteraan. Vol afgrijzen kijk ik mijn zus aan. We denken allebei hetzelfde. Gaan we serieus dít doen? Na al onze avonturen over de hele wereld eindigen we in de Bumpystoet?! Onze kinderen staan met glimmende, rode wangen van de spanning te kijken. Ineens schieten we in de lach. We pakken de kinderen bij de hand en springen samen rondjes in de Bumpystoet richting het Bumpytheater. Want wíj zijn niet zo moeilijk. Wíj draaien hier onze hand niet voor om. Wíj niet. Wíj doen dit gewoon!

Deze column is eerder gepubliceerd in ’t Luutke – editie 10, jaargang 2019

One thought on “Kamperen

  1. Hééé, raar, kijk wel regelmatig even maar zag lange tijd alleen “kannebeuren” staan, en nu ineens moet heel veel bij lezen. Nou ja móet niet maar je schrijft gewoon te leuk om het niet te doen, zelfs over kotsende kindjes;-)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *