Zwemles

Afgelopen zomer kwam bij ons thuis zwemles ter sprake. Dize ging inmiddels naar school en dus werd het tijd voor deze volgende stap. We leefden die zomer in redelijke vrijheid en bovendien met de illusie dat we er wat corona betreft ook bijna doorheen waren. Want zwemles beginnen tijdens een lockdown vonden we geen optie, dat zouden wij ons kind niet aan doen. Bij ons in huis roepen we vaak: “Nich töät’n!”, maar diep van binnen willen we het onze kinderen toch allemaal niet onnodig moeilijk maken.

Na een telefonisch informatiegesprek met het zwembad werd duidelijk dat er een wachttijd van vier tot zes maanden was. Oké prima, en we meldden haar aan. Over een half jaar zouden immers alle problemen ondertussen wel een keer opgelost zijn. Maar niks was minder waar, en eind vorig jaar werden zelfs alle zwemlessen stil gelegd vanwege een zoveelste virusgolf die over ons land raasde. Voor Dize was dat natuurlijk geen ramp, de wachttijd zou logischerwijs meeschuiven en ze zou dan gewoon een paar maanden later beginnen met zwemles. Ook goed, we wachtten het rustig af.

Maar direct nadat de zwemlessen enkele weken geleden weer werden opgestart, kregen we bericht dat Dize een week later op maandag mocht komen voorzwemmen. Om de enorme wachtlijst die ontstaan was in te halen, hadden ze extra zwemlessen ingepland. Oww! En toen? Zouden we het maar afzeggen? Ze heeft al een half jaar geen zwembad meer gezien en vanwege de lockdown moeten we ons vierjarige meisje in d’r eentje zo’n groot gebouw insturen waar ze niemand kent. Dat is toch niet te doen!? Maar van de andere kant… Als we nu afzeggen, hoelang gaat het dan duren voordat ze opnieuw aan de beurt is?

Zelf had Dize er enorme zin in. Dat wij niet mee mochten naar binnen, dat vond ze vooral erg sneu voor óns. En daarnaast had ze een enorme grote mond over wat ze allemaal zou gaan doen tijdens die eerste zwemles. Bommetje en duiken onder andere. Vanwege haar enthousiasme besloten we het door te laten gaan, maar het voelde als een steen op mijn maag. Want als ze straks ineens echt door een wildvreemde wordt meegenomen, dan is die grote mond er af, zo goed kennen we haar wel.

Maar goed, op de bewuste maandag rijden Dize en ik samen naar het zwembad. In de auto slaat het bommetje-en-duiken-sfeertje al om naar wel-leuk-maar-ook-spannend. De steen in mijn buik groeit tot een enorme rotsmassa. Ouders mogen mee tot in de grote ontvangsthal. Daar roept een badjuffrouw alle namen op: “Milo?” Een jongetje rent enthousiast naar voren. “Dat ben ik!” gilt-ie. “Lisa?” “Ja hier, hier, hier!!” Een meisje staat boven op de bank te springen.

“Dize?” Ik kijk naast me en Dize kijkt angstig terug. Ik knik haar bemoedigend toe. “Dize?!?” Net naast haar neus steekt ze vrijwel onzichtbaar haar vinger op. “Is Dize er niet?”, vraagt de badjuffrouw. Ik knik dat ze er wel is en wijs onopvallend in de richting van mijn dochter. Als de badjuffrouw de naam van een volgend kind noemt, propt Dize haar handje in de mijne. Alles in mij doet pijn, ik bijt op mijn lip om niet in tranen uit te barsten. Waarom hebben we verdorie niet afgezegd? Dit hadden we toch kunnen verwachten? Ineens moeten de kinderen gaan. Ik zie hoe Dize haar best doet om zich groot te houden en totdat het echt niet langer kan houdt ze mijn hand vast. Daarna loopt ze twijfelachtig achter het groepje aan het zwembad in.

Daar sta ik dan, mijn moederhart in duizend stukjes. Ik was van plan om tijdens de zwemles een rondje te gaan lopen, maar ik ga direct naast het zwembad met mijn rug tegen de muur zitten wachten. Een enorme knoop in mijn maag. Mijn gedachten zijn geen seconde weg bij dat kleine smurfje dat ik daarnet wreed voor de leeuwen heb gegooid.

De tijd verstrijkt tergend langzaam, elke minuut kijk ik op mijn horloge, maar uiteindelijk is het gelukkig tijd om haar weer op te halen. Als ik in de hal sta te wachten, hoor ik heel veel kinderstemmen door elkaar jubelen. Eentje ervan herken ik uit duizenden! Meteen daarna komen ze de hoek om rennen. Dize ziet me direct en lachend rent ze op me af: “Mam, ik wist al dat het heel leuk was, maar het was zelfs nog veel leuker dan ik dacht! En ik deed wel duizend keer een bommetje!”

En zo leerde mijn dochter mij weer een belangrijke les. Nich töät’n! Laten we de weg niet voorbereiden op onze kinderen, maar onze kinderen voorbereiden op de weg.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.