Ik ben van na de oorlog
Als kind was de oorlog voor mij iets waar de verhalen over werden verteld, waar boeken over werden geschreven en waar films over werden gemaakt. De oorlog was iets van lang geleden.
Mijn vader is midden in de tweede wereldoorlog geboren, maar kon zich er vanwege zijn leeftijd natuurlijk niks van herinneren.
Toch hield de oorlog hem altijd enorm bezig. Hij vertelde er veel over en samen keken we regelmatig een documentaire. Ook nam pa ons mee naar plekken waar het destijds gebeurde. We bezochten locaties waar in de oorlogsjaren zwaar gevochten werd, hij liet ons Berlijn zien en nam ons mee naar verschillende concentratiekampen.
Ik zat zelf nooit in de oorlog, maar door mijn vader zat de oorlog steeds meer in mij. Ook na mijn kindertijd bleef die interesse. En ook zonder mijn vader bleven die plekken me trekken. Ik ging naar Normandië, naar de Ardennen en ik zocht nog meer concentratiekampen op. Met name Auschwitz maakte diepe indruk. De gruwelijke beelden blijven voor altijd op mijn netvlies gebrand.
In Normandië keek ik uit over de stranden, waar op 6 juni 1944 een enorme invasiemacht van geallieerde strijdkrachten aan land kwam. D-day bleek achteraf het startsein voor de bevrijding van West-Europa. Ik liep er langs de duizenden witte kruizen op de Amerikaanse militaire begraafplaats bij Colleville en besefte dat bij iedere naam een verhaal hoorde. Een verhaal van een zoon, een vader of een echtgenoot die zijn leven liet voor onze vrijheid.
In het najaar van 2015 zag ik in het nieuws een foto die de wereld schokte. En die foto greep óók mij.
Een foto van het aangespoelde lichaam van de Syrische peuter Aran op het strand van Lesbos. Ik kon niet langer wegkijken en besloot naar Lesbos te reizen om hulp te bieden. Ik besefte heus wel dat ik daar in m’n eentje niet het verschil zou maken, maar niks doen was ook geen optie meer.
Want stel dat het míj zou overkomen. Als ík op de vlucht moet voor bombardementen in óns land, dan hoop ik ook dat iemand zijn armen opent en zegt: “Kom maar hier”.
Op Lesbos was de situatie verschrikkelijk. Het was noodweer, het stormde en het regende dagen aan één stuk. Aan de eindeloze stroom vluchtelingen die per boot Europa probeerden te bereiken kwam geen eind. Het eiland Lesbos was veel en veel te klein.
De opvangkampen waren overvol, waardoor mensen buiten moesten slapen in de kou en de modder. Er was geen eten, geen sanitair en veel mensen werden vreselijk ziek. Er was regen, regen, regen, niets dan regen. De overtocht zelf was met deze weersomstandigheden ook levensgevaarlijk.
Door de storm was de zee meedogenloos ruw. Door de enorme golven sloegen verschillende boten om en er verdronken tientallen mensen. Aan de kust waren alleen maar vrijwilligers aanwezig die geen enkele ervaring hadden met een ramp van deze omvang.
In één van die stormachtige nachten kwam er net voor de kust weer een boot in de problemen. Mensen sloegen overboord en veel van hen konden niet zwemmen. Wij renden het water in, om zoveel mogelijk mensen veilig aan land te helpen. Ik pakte een jongetje bij zijn hand en trok hem naar me toe. Meteen klemde hij zich vast om me heen. Hij rilde, hij huilde en hij gaf over.
Toen we op het strand waren liet hij me niet meer los. Ik sloeg een isolatiedeken om hem heen en trok hem bij me op schoot om hem warm te wrijven. Zijn spierwitte gezichtje en zijn donkerblauwe lippen vergeet ik nooit meer.
Zonder dat we elkaar konden verstaan wist hij me duidelijk te maken dat hij Jad heette en acht jaar oud was. In al zijn ellende probeerde hij er nog een vriendelijk glimlachje uit te persen. Niet veel later komt een vrouw gillend op ons af rennen. Zijn moeder.
Ik zag hun opluchting, maar toch voelde ik tranen branden. Het kostte me moeite om het jongetje los te laten en hem terug te geven aan zijn moeder.
Ze dachten dat ze het gered hadden, maar ik wist wat hen nog te wachten stond. De overvolle, onmenselijke opvangkampen. De kou, de modder, de honger en de onophoudende regen…
Ik wilde ze zo graag toefluisteren dat ze veilig waren, maar ik kreeg het niet over mijn lippen.
En als je het zelfs hier in Europa niet bent… Waar ben je dan wél veilig?
Nu ik zelf kinderen heb, denk ik nog vaak aan Jad. Hoe zal het hem vergaan zijn na die vreselijke nacht?
Voor onze kinderen is vrede zo gewoon. Onze vrijheid zo vanzelfsprekend.
We kunnen gaan en staan waar we willen en we hoeven aan niemand verantwoording af te leggen. De afgelopen jaren hebben we door alle coronamaatregelen ervaren hoe het voelt als je beperkt wordt in die vrijheid. En wat het met ons doet, als een ander daarover beslist.
Kunnen we wel of niet op vakantie?
Moeten we ons laten vaccineren?
Mogen we samen geen Kerst vieren?
En na 20 uur niet meer naar buiten?
Dat bepalen we toch zeker zelf wel!?!
De coronapandemie was onze eerste confrontatie met vrijheidsbeperking, maar iedere andere vergelijking met oorlog gaat compleet mank. Beperkt worden in je bewegingsvrijheid is wezenlijk anders dan oorlogsgeweld, waarbij je uit je huis verdreven wordt omdat je moet vluchten voor bommen, daardoor gescheiden wordt van alles wat je lief is. Waarbij je voortdurend moet vrezen voor je eigen leven of dat van je dierbaren. We hebben geen idee.
Sinds de oorlog in voormalig Joegoslavië, bijna dertig jaar geleden, kende Europa geen oorlog meer. Hoe anders is dat nu. De oorlog in Oekraïne bewijst maar weer dat vrede en vrijheid, alles behalve vanzelfsprekend zijn.
Dit is mijn dochter Dize, ook voor haar is het de eerste oorlog die ze van redelijk dichtbij meemaakt. Ze ziet het dagelijks voorbij komen. Ze stelt veel vragen en ik wil haar zo graag geruststellen.
Ik zou haar zo graag willen zeggen dat het in Nederland nooit kan gebeuren. Niet bij ons. Niet hier! Ik wil het haar zo graag beloven.
We hebben het al heel vaak tegen elkaar gezegd: Nooit meer! We hebben er ook echt in geloofd.
Maar als we eerlijk zijn… De vreselijke gebeurtenissen in Oekraïne laten zien dat helaas niemand het haar kan beloven.
Naast gezondheid, zijn vrede en vrijheid ons kostbaarste bezit. Maar het is kwetsbaarder dan ooit.
De situatie in Oekraïne laat zien hoe makkelijk je je vrijheid kunt verliezen. Maar het terugkrijgen van vrijheid vergt hele grote offers. Oorlog brengt geen vrede.
Morgen vieren we onze vrijheid, maar vandaag mag het best een beetje pijn doen. Vandaag staan we stil bij alle slachtoffers die in oorlogssituaties zijn omgekomen. In de periode rondom 4 mei wordt er vaak gezegd: “Opdat we niet vergeten”.
Maar ik denk dat het veel meer moet zijn dan dat alleen. Het ís niet genoeg om alleen maar niet te vergeten. We moeten blijven beseffen hoe kwetsbaar vrede is en alert blijven op onze zwarte kant. Oog houden voor intolerantie en ongelijkheid. We moeten ervoor zorgen dat we in verbinding blijven met elkaar, en samen waarborgen dat onze kinderen en kleinkinderen net als ik kunnen blijven zeggen:
“Ik ben van na de oorlog” (door Dize)
Dize en Tessa
Voorgelezen tijdens de Dodenherdenking in De Lutte op 5 mei 2023